Internationale Vrouwendag: van socialistische idealen naar sombere herinneringen

Beata Bruggeman-Sekowska
Over de hele wereld wordt jaarlijks Internationale Vrouwendag gevierd, vaak gezien als een positieve dag voor vrouwenrechten en gelijkwaardigheid. Voor mij en vele anderen die onder het communisme zijn geboren, heeft 8 maart echter een heel andere, sombere betekenis: een dag gevormd door propaganda in plaats van echte emancipatie.
De oorsprong van deze dag ligt in de arbeidersstrijd van het begin van de twintigste eeuw. In 1908 gingen 15.000 kledingarbeidsters in New York in staking tegen slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen, wat leidde tot de eerste Nationale Vrouwendag in 1909, georganiseerd door de Socialistische Partij van Amerika. In 1910 stelde de Duitse feministe Clara Zetkin tijdens het congres van de Socialistische Internationale in Kopenhagen voor om een Internationale Vrouwendag in te voeren. De eerste Internationale Vrouwendag vond plaats op 19 maart 1911, met demonstraties in Oostenrijk, Denemarken, Duitsland en Zwitserland voor werk, stemrecht en openbare functies. In 1917 protesteerden vrouwelijke textielarbeiders in Petrograd voor “Brood en Vrede”, een gebeurtenis die bijdroeg aan de Russische Revolutie. Lenin maakte van deze datum 23 februari volgens de Juliaanse kalender, 8 maart volgens de Gregoriaanse kalender later een Sovjetfeestdag.
Achter het IJzeren Gordijn, onder het communisme, werd het leven echter ontdaan van vrijheid en democratie en gereduceerd tot propaganda. In Polen, kregen vrouwen een afgesneden anjer of gerbera en een pak panty’s als oppervlakkig teken van waardering. Na deze absurde ceremonie keerde het leven terug naar de grijze, onderdrukte realiteit van angst, schaarste en wantrouwen. De dag, die tegenwoordig overal zo feestelijk wordt gevierd, herinnerde ons juist aan wat het regime ons ontzegde: echte emancipatie, bescherming van rechten en menselijke waardigheid.
Enver Hoxha, de langst regerende communistische dictator in de geschiedenis, bestuurde Albanië meer dan veertig jaar met ijzeren hand. Hij isoleerde het land van de wereld, legde strikte ideologische controle op en bracht Albanië in extreme armoede. In een land van drie miljoen mensen had bijna één op de vijftien een familielid dat door het regime werd gevangengezet of gedeporteerd. Ongeveer 200.000 mensen werden naar werkkampen gestuurd vergelijkbaar met Stalins Goelag. Meer dan 100.000 mensen werden gedood of gevangen gezet, meer dan 6.000 verdwenen en duizenden mensen verdwenen spoorloos. Hoxha ontmantelde de vooroorlogse burgerlijke elite en verklaarde Albanië tot de eerste atheïstische staat ter wereld.
Albanese Maria Tuci, een jonge vrouw die tot een religieuze orde wilde toetreden, werd tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld en zwaar mishandeld. Toen zij zich verzette tegen de avances van een gevangenisfunctionaris, werd zij langdurig gemarteld. De officier zei tegen haar: “Ik zal je tot een toestand reduceren waarin zelfs je familie je niet meer zal herkennen.” Op een gegeven moment stopten bewakers haar naakt in een zak met een straatkat en sloegen de zak totdat het dier haar aanviel. Haar verwondingen leidden tot bloedvergiftiging. Ondanks haar lijden weigerde Maria haar geloof af te zweren. Zij vergaf haar beulen en stierf op 24 oktober 1950 op 22-jarige leeftijd in het gevangenisziekenhuis van Shkodër, met een rozenkrans in haar hand. Haar laatste woorden waren: “Ik dank God dat hij mij de kracht gaf om vrij te sterven.” In 2016 erkende paus Franciscus haar martelaarschap en werd zij in Shkodër zalig verklaard.
Na september 1939 kwam Polen onder zowel nazi- als Sovjetbezetting te staan, zoals overeengekomen in het Molotov-Ribbentroppact. Janina Lewandowska, de enige vrouwelijke officier in Katyn, werd door de Sovjets geëxecuteerd en begraven in een massagraf tijdens het bloedbad van Katyn in 1940, waarbij meer dan 20.000 Poolse officieren, politieagenten en intellectuelen werden vermoord. Haar jongere zus Agnieszka Dowbor-Muśnicka werd door de nazi’s geëxecuteerd en eveneens in een ongemarkeerd graf begraven.
In 1945 werden de poolse zusters Stanisława Falkus en Leopolda Ludwig van de Congregatie van de Zusters van de Goddelijke Verlosser in een kapel vermoord door soldaten van het Rode Leger nadat zij waren verkracht, met bajonetten gestoken, mishandeld en uiteindelijk doodgeschoten. Hun zaligverklaringsproces loopt nog.
“Dokter, zal ik leven?” Dit waren de laatste woorden van Loreta Asanavičiūtė, een 23-jarige Litouwse vrijheidsverdediger die op 13 januari 1991 in Vilnius door een Sovjettank werd overreden. Sovjetpantservoertuigen reden door een vreedzame menigte die de televisietoren van Vilnius. symbool van de Litouwse onafhankelijkheid, probeerde te beschermen. Veertien mensen kwamen om en meer dan 500 ongewapende burgers raakten gewond. Loreta was de enige vrouw onder de slachtoffers en overleed enkele uren later in het ziekenhuis.
8 maart moet een dag zijn om stil te staan bij de moed, het lijden en de veerkracht van vrouwen zoals Maria Tuci, Janina Lewandowska, Agnieszka Dowbor-Muśnicka, de vermoorde zusters van de Salvatorianen, Loreta Asanavičiūtė en vele anderen. Het moet geen ideologie of ceremonieel gebaar zijn, maar een oprecht moment van bezinning over gelijkwaardigheid en vrijheid.
Foto genomen in Grutas Park, Litouwen ©Beata Bruggeman-Sekowska

Auteur: Beata Bruggeman-Sękowska is een bekroonde Nederlands-Poolse journalist en auteur. Zij is hoofdredacteur van het Central and Eastern Europe Center en voorzitter van het European Institute on Communist Oppression. Geboren in Warschau, Polen, en momenteel woonachtig in Nederland, heeft Beata wortels in Lviv, Oekraïne, en een Armeense afkomst.












